nieuws

van ons

Er was eens...

Nog niet zo heel lang geleden – toen “we” nog uitkeken naar carnaval (in Lampegat) en het coronavirus Nederland nog niet had bereikt – was de wereld nog toe aan een lesje basis verbintenissenrecht van de Hoge Raad.

Op 31 januari 2020 heeft de Hoge Raad zich maar eens de moeite getroost om zich uit te laten over wanneer een partij schade dient te vergoeden aan een andere partij in het geval van het niet nakomen van afspraken.

Wat staat er in de wet?

De wet is vrij eenduidig: als partij X een afspraak (een aspect van een overeenkomst) niet nakomt, dan dient deze partij X door die andere partij (zeg partij Y) in gebreke te worden gesteld. Dit betekent zoveel als dat partij X in de gelegenheid moet worden gesteld om de gemaakte afspraak alsnog na te komen. Daarvoor moet aan partij X een redelijke termijn te worden gegeven. Doet partij X dan nog niet wat deze moet doen, dan komt deze in zogeheten verzuim te verkeren. Als dat het geval is, dan pas kan van partij X worden gevorderd dat hij geleden schade aan partij Y vergoedt.

Een ingebrekestelling is niet nodig als dat zinloos zou zijn. Daarvan is sprake als afspraken niet meer nagekomen kunnen worden of als vaststaat dat partij X toch niet na zal komen. In dat geval komt partij X meteen in verzuim te verkeren waardoor vergoeding van schade te vorderen is.

In het geval dat partij Y de overeenkomst met partij X wil ontbinden (overboord wil gooien), dan zal laatstgenoemde partij X ook eerst in verzuim moeten zijn.

Samengevat: voordat een partij geconfronteerd kan worden met de negatieve gevolgen van het feit dat deze afspraken niet nakomt, moet hij in de gelegenheid worden gesteld de afspraken alsnog na te komen.

Praktijkvoorbeeld

Blijkbaar was de Hoge Raad nodig om deze vrij eenvoudige spelregels uit te leggen.

De casus laat zich makkelijk samenvatten. Partij X en Y sluiten een mondelinge koopovereenkomst van een horecapand. Dit pand zou uiterlijk december 2011 afgenomen worden door partij X van partij Y. “Zou” want begin december 2011 heeft partij Y uit een gesprek met partij X afgeleid dat laatstgenoemde niet in staat zou zijn het horecapand af te nemen. Op een later moment zou partij X daar wel toe in staat zijn.

Partij Y heeft op basis van deze veronderstelling de overeenkomst overboord gegooid en vergoeding van schade gevorderd.  Omdat partij X het daar niet mee eens bleek, moest een rechter eraan te pas komen. Partij Y vorderde van de rechter te bevestigen dat de overeenkomst was ontbonden als gevolg van een tekortkoming van X. De rechtbank wees deze vordering toe. Partij X was het daar weer niet mee eens en ging in hoger beroep. Het hof gaf partij X gelijk.

Het hof oordeelde dat partij X niet in verzuim is komen te verkeren nu aangenomen dient te worden dat geen fatale termijn (voor afname van het horecapand) is verstreken. Nakoming van de afspraken was dus nog mogelijk en dus had  partij X een termijn gesteld moeten worden om het horecapand af te nemen. Dit heeft partij Y niet gedaan en dus is partij X niet in verzuim komen te verkeren.

Het gevolg: de overeenkomst is (nog) niet ontbonden. Als partij X nog wil en kan, dan moet de gelegenheid worden geboden om het horecapand alsnog af te nemen.

De moraal van dit verhaal

Wees zeker van de juridische positie voordat je op basis van een misplaatste overtuiging van die positie de plank mis slaat. 

Heeft u vragen n.a.v. dit artikel, neem dan contact op met Jop