nieuws

van ons

Pandrecht onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken mogelijk!

Roerende zaken worden vaak onder eigendomsvoorbehoud geleverd. De koper kan dan al feitelijk over de zaak beschikken, maar de eigendom gaat pas over als de koopsom aan de verkoper volledig is voldaan. Tot dat moment blijft de leverancier eigenaar.
 

Tot voor kort was onduidelijk of onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken ook al met succes konden worden verpand om een financier – ook in geval van een faillissement van de pandgever - te verzekeren van terugbetaling van een geldlening.
 

De Hoge Raad heeft onlangs meer duidelijkheid hierover verschaft: de koper van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde kan zaken alvast in onderpand geven aan de financier. Dit besliste de Hoge Raad in een gerechtelijke procedure tussen een financier van een teler (aan wie een teeltsysteem onder eigendomsvoorbehoud was geleverd) en de curator van de inmiddels failliete teler.

Wat was er aan de hand?

Een leverancier verkoopt en levert onder eigendomsvoorbehoud een teeltsysteem aan een teler. De teler wordt dus pas eigenaar van het teeltsysteem als de volledige koopsom is voldaan. De teler laat de koopprijs voor een deel onbetaald. Daarna verkrijgt de teler financiering van een bank. De bank bedingt en verkrijgt daarbij een pandrecht: ‘ingeval een zaak onder opschortende voorwaarde aan de pandgever is overgedragen, strekt dat pandrecht zich uit tot de voorwaardelijke eigendom van die zaak’. Vervolgens gaat de teler failliet.

De bank voldoet vervolgens het openstaande bedrag voor het teeltsysteem aan de leverancier, zodat het eigendomsvoorbehoud vervalt (de opschortende voorwaarde van betaling is immers vervuld). De curator stelt zich op het standpunt dat de teler door betaling van de restantkoopprijs eigenaar is geworden waardoor het teeltsysteem in de failliete boedel valt en niet onder het pandrecht. Op het moment van verpanding was teler immers nog geen eigenaar en kon de teler dus ook geen pandrecht vestigen op de volle eigendom van de zaak, aldus de curator. De bank is het daar niet mee eens. Zij is van mening dat zij als pandhouder gerechtigd is het teeltsysteem openbaar te verkopen.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is het mogelijk om rechtsgeldig een onvoorwaardelijk pandrecht te vestigen op een onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak. De koper is eigenaar onder de opschortende voorwaarde dat de volledige koopsom wordt betaald en de leverancier is eigenaar onder de ontbindende voorwaarde van betaling van de koopsom.

Wordt de resterende koopsom voldaan, dan wordt de koper 100% (onvoorwaardelijk) eigenaar. De zaak is dan in juridische zin geheel ‘van hem’. Het pandrecht groeit dan van rechtswege uit tot een pandrecht op de volle eigendom van de zaak en daarmee op de zaak zelf. De restantkoopsom kan ook door de pandhouder worden voldaan. Dat geldt ook in faillissement. De zaak valt dan weliswaar in de failliete boedel maar daarop rust dan een onvoorwaardelijk pandrecht. 

Wat zijn hiervan de gevolgen?

De relevantie van deze uitspraak voor de praktijk is groot. De koper van een zaak die is geleverd onder eigendomsvoorbehoud kan zijn voorwaardelijke eigendomsrecht verpanden om meer financiering aan te trekken. Voor een financier met een pandrecht op onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken kan het voordelig zijn om de restant koopsom te voldoen. Het pandrecht groeit daardoor uit tot een pandrecht op de volle eigendom van de zaak. Bij uitwinning van het pandrecht is voor de nieuwe koper dan ook meteen duidelijk dat hij de volle eigendom van de zaak verkrijgt.

 

Wilt u meer weten over dit onderwerp of heeft u een vraag over financiering en zekerheden, neem dan gerust contact met ons op.
 

Heb je vragen over dit artikel? Neem contact op met Maarten.

Lees onder dit artikel meer over: pandrecht, eigendomsvoorbehoud, opschortende en ontbindende voorwaarde of een failliete boedel.

Wat betekent dit?

Een pandrecht is een zekerheidsrecht

Wanneer een financier geld uitleent, wil hij zeker weten dat hij het terug krijgt. De terugbetaling kan hij ‘verzekeren’ door middel van zgn. zekerheidsrechten. Het bekendste zekerheidsrecht is een hypotheekrecht. Minder bekend is het pandrecht. Beide rechten werken hetzelfde: komt degene aan wie het geld is uitgeleend zijn verplichtingen niet na, dan kan de zaak waarop het zekerheidsrecht door de geldlener aan de financier is gegeven door de financier worden ‘uitgewonnen’. Dat houdt in dat hij de zaak waarop het zekerheidsrecht rust kan verkopen of, in het geval van een pandrecht op een vordering, de vordering (rechtstreeks) kan innen. Het verschil tussen beide is dat een hypotheekrecht wordt gevestigd op een onroerende zaak (zoals een woning) en een pandrecht kan worden gevestigd op vrijwel alle andere zaken, zoals een auto, machine, juwelen of aandelen (zogenaamde ‘roerende zaken’) maar ook op vorderingen.
 

Hoe ontstaat een pandrecht?

Oorspronkelijk werden enkel roerende zaken verpand en aan de financier ‘ter belening’ in onderpand werden gegeven. Dit gebeurde vooral vroeger in de zogenaamde pandjeshuizen. De roerende zaak, bijvoorbeeld een horloge, werd letterlijk aan de financier gegeven tot zekerheid voor de terugbetaling van het te leen ontvangen geldbedrag. Omdat dit bijvoorbeeld in geval van een auto of machine weinig aantrekkelijk is voor de eigenaar, die immers de auto of machine wenst te gebruiken, zijn in de praktijk stille (vorderingen) en bezitloze (roerende zaken) pandrechten ontstaan.

Door middel van een notariële akte of een onderhandse akte en registratie daarvan bij de Belastingdienst kan een pandrecht worden gevestigd zonder dat de zaak aan de pandhouder behoeft te worden gegeven of zonder dat de debiteur van de te verpanden vordering van de verpanding op de hoogte behoeft te zijn.  
 

Sterk recht

Een pandrecht is een sterk recht. De houder van een pandrecht heeft het recht van parate executie. Dat wil zeggen dat hij zonder tussenkomst van de rechter de zaak waarop het pandrecht rust kan verkopen. Na de verkoop mag de pandhouder uit de opbrengst, na de kosten voor de verkoop te betalen, aan zichzelf het verschuldigde bedrag uitkeren. Ook in faillissement kan het pandrecht gewoon worden uitgewonnen. De pandhouder kan handelen alsof er geen faillissement is. Dat geldt ook voor de schuldsanering en surseance van betaling.

Wilt u meer weten over pandrechten of financiering en zekerheden? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Roerende zaken worden vaak onder eigendomsvoorbehoud geleverd. De juridische eigendom wordt als het ware ‘voorbehouden’ door de leverancier; de leverancier blijft juridisch eigenaar totdat aan de voorwaarde van algehele betaling van de koopsom is voldaan. De koper kan dus al wel feitelijk over de zaak beschikken, maar hij heeft nog niet de volle eigendom van de zaak. Als de volledige koopsom is voldaan, wordt de koper ook echt de eigenaar. Tot dat moment is de koper voorwaardelijk eigenaar: hij is eigenaar onder de opschortende voorwaarde van betaling. 

Wanneer partijen afspraken met elkaar maken vloeien daaruit rechten en verplichtingen uit voort. Die rechten en verplichtingen noemt men ook wel verbintenissen. Verbintenissen kunnen onder opschortende of ontbindende voorwaarde worden aangegaan.
 

Ingeval van een opschortende voorwaarde begint de verbintenis pas te lopen als een bepaalde gebeurtenis zich voordoet. Tot dat moment geldt de verbintenis (nog) niet. Een voorbeeld is het aangaan van een koopovereenkomst onder de opschortende voorwaarde dat door het bestuur van de onderneming toestemming is verleend. Wordt geen toestemming verleend voor de koopovereenkomst, dan wordt geacht de overeenkomst niet te hebben bestaan.
 

Door een ontbindende voorwaarde vervalt een verbintenis wanneer een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt. De verbintenis loopt zolang die gebeurtenis niet plaatsvindt en de ontbindende voorwaarde dus nog niet is vervuld. Een bekend voorbeeld van een ontbindende voorwaarde is het financieringsvoorbehoud. Men koopt een huis onder voorbehoud dat de financiering gerealiseerd wordt. Lukt dat niet, dan vervalt de koopovereenkomst. De koopovereenkomst heeft dan wel bestaan.
 

Door vervulling van een ontbindende voorwaarde ontstaat een ongedaanmakingsverbintenis. Alles moet worden teruggedraaid naar de situatie van voor het sluiten van de overeenkomst. Reeds verrichte prestaties moeten dus ongedaan worden gemaakt. 

Als een natuurlijke persoon of rechtspersoon niet meer in staat is om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen of als hij is opgehouden met het betalen van zijn schuldeisers, dan kan deze op verzoek van een van de schuldeisers door de rechtbank failliet worden verklaard. Alle bezittingen van een failliete persoon tezamen noemt met de failliete boedel. De failliete boedel bestaat zo lang de natuurlijke persoon of rechtspersoon in faillissement verkeert. De boedel wordt overeenkomstig de wet verdeeld door de curator onder de schuldeisers van de failliete persoon. De failliete persoon kan daar niet meer over ‘beschikken’, dat wil zeggen hij kan niets uit de boedel rechtsgeldig overdragen.