nieuws

van ons

Overhevelen vennootschap door bouwbedrijf wordt afgestraft

Het uitgangspunt binnen het aansprakelijkheidsrecht is dat in beginsel enkel de vennootschap die aansprakelijk is voor de schade, ook gehouden is om die schade te vergoeden. Onder bijzondere omstandigheden kan die verplichting tot schadevergoeding ook gelden voor een andere vennootschap, zonder dat daar een contractuele afspraak aan ten grondslag ligt. Hiervan is sprake als door de betreffende vennootschap (en haar bestuurder) misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen de twee vennootschappen.

Het Gerechtshof Den Haag heeft in een recent arrest bevestigd dat in de betreffende kwestie van een dergelijk misbruik sprake was.

Gevorderde schade

De casus kan kort en vereenvoudigd als volgt worden uitgelegd. Tussen een bouwbedrijf en een vereniging worden twee overeenkomsten van aanneming gesloten. Later blijkt dat het bouwbedrijf haar werkzaamheden waarschijnlijk niet correct heeft uitgevoerd: de gevelplaten zijn gebrekkig gemonteerd. De vereniging laat daar onderzoek naar doen en komt tot de conclusie dat het bouwbedrijf voor haar schade aansprakelijk is. Het bouwbedrijf weigert, na sommatie door de vereniging, de schade te voldoen. De vereniging legt het geschil vervolgens in november 2012 voor aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: RvA).

De RvA oordeelt in haar vonnis van 12 september 2014 dat het bouwbedrijf aansprakelijk is voor de door de vereniging geleden schade. Kort daarna gaan partijen in overleg en biedt het bouwbedrijf aan om € 25.000,- te betalen. Over meer vermogen zou zij niet beschikken. De vereniging wijst het voorstel af (de schade bedraagt naar haar mening ruim € 300.000,-).

Misbruik identiteitsverschil vennootschappen

Eind december 2014 wordt het bouwbedrijf opgeheven. Het bouwbedrijf heeft in 2013 en 2014 een negatief resultaat geboekt en er was ten tijde van de ontbinding sprake van een negatief eigen vermogen. Er heeft geen vereffening plaatsgevonden.

De vereniging lijkt achter het net te vissen maar komt er achter dat de bestuurder/aandeelhouders van het bouwbedrijf gedurende de procedure bij de RvA een nieuw bouwbedrijf (“Bouwbedrijf II”) hebben opgericht, waarna alle bedrijfsactiviteiten van het bouwbedrijf zijn overgeheveld naar dit nieuwe bouwbedrijf.

Afstraffing door gerechtshof

De rechtbank oordeelt (in een vervolgens door de vereniging aanhangig gemaakte procedure) dat de bestuurder met het beëindigen van de ondernemingsactiviteiten van het bouwbedrijf en het opstarten op vrijwel hetzelfde moment met dezelfde activiteiten door Bouwbedrijf II onder de naam die het bouwbedrijf tot dat moment voerde, geen ander oogmerk heeft gehad dan benadeling van de vereniging als crediteur. De betrokkenen (waaronder de nieuwe vennootschap) wordt verweten dat daarmee (verder) verhaal van de vereniging op het vermogen van het bouwbedrijf is verijdeld.

Het Gerechtshof Den Haag is het in hoger beroep met die conclusie van de rechtbank eens en wijst daarbij op verschillende omstandigheden, o.a.:

  • het opgeheven bouwbedrijf en Bouwbedrijf II waren op hetzelfde adres gevestigd;
  • het opgeheven bouwbedrijf voerde eerder (tot de oprichting van Bouwbedrijf II) dezelfde naam als Bouwbedrijf II;
  • Bouwbedrijf II adverteerde op haar website met het portfolio van het opgeheven bouwbedrijf en presenteerde zich als een familiebedrijf dat al meer dan 100 jaar bestaat en sinds 1980 wordt geleid door de vierde generatie;
  • de afronding van de activiteiten van het bouwbedrijf en het opstarten van de activiteiten van Bouwbedrijf II vonden min of meer gelijktijdig plaats gedurende de arbitrageprocedure.


Uit alle omstandigheden uit het arrest volgt dat het bouwbedrijf, dat er financieel prima voor stond en dus ook voldoende verhaal zou bieden, is ‘overgeheveld’ naar Bouwbedrijf II met geen ander doel dan het frustreren van de verhaalsmogelijkheden van de vereniging.

Deze ‘truc’ wordt dus afgestraft. Overigens wordt de (indirect) bestuurder ook uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid veroordeeld tot voldoening van de schade van de vereniging, nu hem van de gang van zaken een ernstig verwijt kan worden gemaakt.